Hoe kun je de wedstrijd Ajax-PSV beter herbeleven dan door de ogen van Bobby Haarms, de Goede Beul. Met onder andere de herdenking van dat andere grote clubicoon Sjakie Wolfs. Prachtige reportage van Eredivisie Live.


Ongelukkig

17Sep08

Een lastige relatie is het soms, die tussen de afdelingen redactie en reclame binnen een bedrijf. Een relatie die kan leiden tot ongelukkige situaties, zoals vandaag bij Dagblad de Limburger. Onder een artikel op de website over een jongen die dreigde van het dak van zijn ouderlijk huis te springen, stond vandaag een reclamefoto die de redactie vermoedelijk niet heeft uitgekozen.


Gisteren zat hij bij De Wereld Draait Door, de grote Thijs van Leer. De grote wie? Nou, die dus. Hij is wel wat veranderd tussen toen en nu. Iedere keer als ik hem zie, moet ik even die ene clip zien. Zo moet muziek ooit bedoeld zijn.



Ik kom uit de dirty south. Het was even slikken toen ik het las. Natuurlijk, ik woon in het zuiden des lands, daar ben ik me volledig van bewust. Maar de dirty south, dat niet. Ik voelde me zelfs een beetje smerig en ben onder de douche gesprongen.

Het waren de jongedames van Rassion Magazine die me opeens heel anders over mijn omgeving deden denken. Vijf vrolijke blogsters met stuiterballennamen als Noni Pony die mij als achteloze zuiderling dagelijks laten weten wat hipperdepip is in de ondergrondse belevingswereld van Amsterdamse studentes. Door dat bij te houden, kon ik lekker meepraten over überblitse modedingetjes en bitterzoete feestjes zonder dat ik al te veel hoefde over te nemen. Aan veruit de meeste neongele fladderrokken (neongeel is het nieuwe appeltjesgroen) en gezichtsbedekkende zonnebrillen die worden besproken, hoefde je hier namelijk niet te beginnen. Zelfs de meest progressieve winkelier in deze provinciestad zou er onmiddellijk een dikke stempel ‘not ready’ op drukken.

Maar nu het rustige zuiden is veranderd in de dirty south, ligt alles plotseling anders. Die titel schept verwachtingen. Een reputatie die ruikt naar vlammend rubber van een net weggescheurde sportauto, niet naar doodgeslagen bier in een plastic bekertje. We moeten in actie komen, de dirty south will rise again! Dankzij Rassion Magazine weet ik dat we goed bezig zijn. Zo stikt het van de bekende gezichten uit de dirty south in de nieuwe videoclip van De Jeugd van Tegenwoordig. Die clip is ook nog eens geregisseerd door een vertegenwoordiger van de ranzige onderkant van ons land.

Dat betekent maar één ding. We zijn hip. Hipperdepip, om het Rassion-gevoel te gebruiken. En dat is even slikken.



Arrogantie is een betrekkelijk begrip. Dus waarom zou je er niet voor kiezen om je eigen ego te gebruiken als unique selling point? Ik zeg: dan kan er niks fout gaan. Daarom heb ik stiekem onze speech ter gelegenheid van de uitreiking van de Dutch Bloggies al uitgeschreven.

Geachte aanwezigen,

Wij zijn de beste
Wij zijn de beste
En niet alleen de beste van Amsterdam,
maar ook van Rotterdam
en ook van Eindhoven
en ook van Europa
en dus zijn we de beste van de…
<uitzinnige menigte vult aan: wereld!!>

JAAAAAAAAAAAAAAAA!


Soms opent zich opeens een oude doos, totaal onverwacht. Dan klik je op repeat en laat je je bedwelmen…



Ze zijn schaars, van die fantastische televisieavonden. Maar zondag was zo’n avond. Socioloog
Willem Schinkel – 31 jaar nog maar – als Zomergast tegenover Bas Heijne. Gebiologeerd heb ik zitten kijken. Prachtige fragmenten, waaronder een clip van Radiohead en een scène uit The Shawshank Redemption. Haarscherpe analyses van de maatschappij met uitsluiting als centraal thema. De uitsluiting van gevangenen, de uitsluiting van allochtonen.

Schinkel legde feilloos de vinger op de zere plek door te betogen dat de algemeen gebruikte definitie van onze samenleving meer een achterhaalde droommaatschappij beschrijft dan een realistische afspiegeling van Nederland anno 2008. We hebben het over een geseculariseerde maatschappij, terwijl daarin bijna een miljoen moslims hun geloof belijden. Maar in plaats van die ontwikkeling mee te nemen en onze samenleving te herdefiniëren, plaatsen we de moslims buiten de maatschappij. Zij horen er niet bij, maar moeten integreren: werk verrichten om een plaats in ons denkbeeldige, geconstrueerde domein te verwerven. Zelf zijn we uiteraard gevrijwaard van integratie.

Schinkel gebruikte onder meer dit fragment als voorbeeld.

Inderdaad: ach gut, ze zegt het ook nog. Zoals Willem Schinkel aangaf: ‘Uit dommigheid, om het oneerbiedig te zeggen, of uit zenuwen, dat kan ook.’ Maar erg vreemd is haar antwoord niet. Eigenlijk zegt de kandidate wat we thuis allemaal denken. De conceptie dat allochtonen een groep vormen die op een bepaalde manier buiten de maatschappij staat is alom geaccepteerd. Dat idee leeft – gezien de definitie van integratie - bij de linkse partijen net zo goed als bij Wilders en Verdonk, al verbinden die twee er de meest extreme consequenties aan.

Schinkel gaf in Zomergasten op een frisse manier college en gebruikte mooie fragmenten om zijn verhaal te ondersteunen. Wie de uitzending zondag gemist heeft, kan zaterdagmiddag op herhaling.


‘Zeg het maar’, zegt het meisje. Ik schat haar een jaar of achttien. Ze heeft een neusringetje in haar linkerneusvleugel. Leuk koppie. Zal wel studente zijn. Ook bij ons heeft de meligheid inmiddels toegeslagen.
‘Een hele goedemorgen, mijn naam is Meijer’, zegt Frank. ‘En hoe heet jij?’
Het meisje lacht ongemakkelijk. ‘Kristel’, zegt ze met ontwapenende Brabantse tongval.
Ach gut, hoor je de horde Ajacieden denken, ze zegt het ook nog.

Bovenstaand fragment komt uit de voetbalroman Vak 127 van Menno Pot. Een boek over een jaar uit het leven van een fanatieke Ajax-supporter, die daarnaast de belangrijkste momenten uit zijn supportersloopbaan beschrijft. Van de eerste wedstrijd aan de hand van oom Hans tot die ultieme 24ste mei in 1995. Van een vechtpartij met Feyenoord-supporters in Salou tot een neukpartij in naam van de club in Liverpool.

‘Fuck me, you Ajax fan’, sist ze. ‘Fuck me now.’
Ik ben nog nooit in mijn leven zo van het woord ‘Ajax’ geschrokken, maar het lijkt of er een bom van pure geilheid in me ontploft. Nóg meer adrenaline, nóg meer testosteron. De absurde gedachte was nog geen moment in me opgekomen, maar ik neuk hier godverdomme in naam van mijn club. Ik ben een fucking ambassadeur. Die geile doos zegt het zelf: ik naai voor de eer van Ajax. De gedachte tolt door mijn hoofd, terwijl ik mijn bekken naar voren stoot en een droge kreun uit haar keel hoor ontsnappen.

Ieder jaar als de zomerstop me de strot uitkomt grijp ik naar dat boek. Het prikkelt het verlangen naar een nieuw Amsterdams seizoen. Maar Vak 127 gaat niet alleen over voetbal. De vier gezworen voetbalvrienden krijgen ook te maken met de onvermijdelijke roep van volwassenheid. ‘Verantwoordelijkheden die zich even onverbiddelijk aandienen als de nederlagen van hun club’, zoals het op de achterkant van het boek wordt omschreven. Dus zijn ook deze zomer de twee wijze levenslessen van Menno Pot weer tot me doorgedrongen: ‘Blijf ze trouw, onze dapp’re strijders. Nu en voor altijd. En… Never grow up!’

Laat de competitie maar beginnen!



Die taxichauffeur die ons naar Venlo bracht, dat was dus een Borsatoman. Dat moet ik even uitleggen. In zijn hilarische verhaal over blueslegende Sonny Boy Williamson (getiteld: ‘Jongens, dit moet de hond even zien’) introduceert Peter Buwalda het begrip Borsatoman. ‘Zij zien de aarde’ – aldus Buwalda – ‘als een volmaakt ronde bal waarvan de voorkant lijkt op Almere onder stapelwolken en waar op de achterkant ergens een treurig continent vol oorlogskinderen drijft.’ Omdat vertragingen en mensen die er een eind aan maken door voor de trein te springen (in NS-terminologie: ‘een aanrijding met een persoon’) niet in dat vrolijk kabbelende plaatje van Almere passen, was de taxichauffeur – Borsatoman als hij was – graag bereid ons tegen een paar tientjes korting naar Venlo te rijden.

Dat het in ons land wemelt van de Borsatomannen wist ik allang, alleen waren ze zelden zo treffend omschreven. Van die mannen die hun geweten jaarlijks afkopen met vijf euro voor Jantje Beton. Mannen die voor hun 52ste verjaardag een groene wollen trui vragen, omdat de groene wollen trui die ze al in de kast hebben hangen zo lekker zit. Mannen die meer dan twee nummers van Marco Borsato achter elkaar kunnen aanhoren en op de vraag wat ze in hemelsnaam zien in de Bijenkorf-poëzie van die vernederlandste pizzabakker antwoorden dat hij zo oprecht is, waarbij ze dan hun dorpspastoorgezicht opzetten. Van die mannen die laten zien dat principes maakbaar zijn, in de breedste zin van het woord, terwijl ze zelf vinden dat ze de moderne moraalbijbel hoogstpersoonlijk hebben geschreven.

Dit was zo’n man, dat voelde ik. Hij bevestigde dat vermoeden door in de stad eerst mee te murmelen met de waarheidlievende plaatjes van eigen bodem die tot ons kwamen via de lokale radiogigant. Eenmaal op de snelweg, toen het signaal dreigde weg te vallen, begon hij onmiddellijk onrustig aan de knoppen te draaien. Op zoek naar – zo bleek uiteindelijk – 100% NL. Het linke aan deze Borsatoman was dat je hem op basis van uiterlijke kenmerken niet direct als zodanig zou herkennen. Een typisch gevalletje van een wolf in schaapskleren of, in dit geval, een lammetje in wolfshuid. In zijn dikke lijf, kale hoofd, ringbaardje en vervaarlijke blik zou je een oude rocker herkennen. Iemand die het volledige oeuvre van AC/DC moeiteloos meeboert. Een taxichauffeur met het mes tussen de tanden, niet iemand die zijn wattenstaafjes op het nachtkastje bewaart.

Dat schijn kan bedriegen bleek rond Sevenum. Tot die tijd hadden we het muzikaal aardig droog gehouden, maar het lot wenste ons kennelijk niet de hele reis te sparen. Het icoon zelf zette zijn strot open om te kwelen over zijn hart, de pijn, het nutteloze vechten en Margherita, waarschijnlijk een onverwerkt litteken uit zijn vorige carrière tussen de tomatensaus en oregano. Op het straatvechtersgezicht van onze taxi rijdende vriend verscheen een gelukzalige glimlach die ikzelf voor het laatst had geproduceerd tijdens een orgastisch hoogtepunt onder de douche. Die lach bleef als geboetseerd op zijn spekkige tronie liggen tot ver in het tweede couplet. Toen – net op het moment dat wij ons zorgen begonnen te maken – vond hij dat het tijd was voor een analyse van zijn favoriete kunst. Hij wilde zijn wijsheid met ons delen. Dat wij dat eigenlijk helemaal niet zo noodzakelijk vonden, bleek al snel van aanmerkelijk minder groot belang.

Dus luisterden we bijna vijf minuten machteloos naar een hysterisch relaas over Margherita, alsof de maxi-cd met daarop de extended version was aangezet op een gekooide stereoset, terwijl wij ons paniekerig uitleefden op een afstandsbediening zonder batterijen. Het etterde maar door, over de leugens die hem doorkliefden, allesverzengende liefde, brandende tranen, de leegte die thuis op je wacht en natuurlijk de onvermijdelijke kille stilte. Dat ging door tot ik het vlak voor de afslag Venlo echt genoeg vond en besloot de waanzinnige monoloog op te leuken tot een folie à deux. ‘Wat ik zo jammer vind aan de emotionele nederpop van heden ten dage, begon ik voorzichtig, is dat het esthetische aspect volledige ondersneeuwt door ethisch onderricht waarmee de strofes doorspekt zijn. Dat heeft een lethargische uitwerking op het gros van de toehoorders. Deze taxi is daarvan het evidente bewijs.’ Stilte. Bevrijdende stilte met een laagje spanning. Want de glimlach was van zijn doorleefde smoelwerk verdwenen. Zijn ogen verwerkten de boodschap die hem net had bereikt. Maar het bleef stil, tot aan onze eindbestemming.

‘Honderd euro.’ Het kwam er bedremmeld uit. Aan zijn verslagen uitdrukking te zien maakten de grijze schaapjeswolken in zijn hoofd nog steeds overuren. We schraapten het geld bij elkaar en overhandigden het aan onze kwelgeest. Een kort knikje. We openden de portieren en stapten uit. Net toen ik de ontmoeting met deze Borsatoman in disguise wilde afsluiten met een ferme klap van de deur, bleek hij hersteld. ‘Hé jij!’ Ik deed de deur weer wat verder open en boog netjes voorover. ‘Jij komt mijn taxi niet meer in!’


Lotgenoten

25Aug08


‘Lotgenoten’, dacht ik hoopvol. Vijf conducteurs moesten ook naar Venlo. Uit ervaring besloot ik het groepje toch nauwlettend in de gaten te houden. Eentje liep druk gebarend heen en weer over het perron, alsof hij met zijn looplijnen alsnog de gewenste trein binnen wilde loodsen. De laatste trein, die deze avond niet meer zou rijden. Plots was er kort overleg en verlieten de vijf het perron, richting de voorzijde van het station. Ik ging er achteraan en was net op tijd om tachtig procent van het gezelschap in een taxi te zien stappen. De vijfde NS-pet bleef even net zo verbouwereerd als ik achter, maar werd daarna geattendeerd op een tweede taxi, die hem alleen naar huis zou brengen.

Het is geen sympathieke boodschap richting je reizigers: wij gaan ervandoor, jullie zoeken het maar uit. Alsof de kapitein van een zinkend schip zich met een helikopter in veiligheid brengt en nog even zwaait naar de passagiers die kopje onder dreigen te gaan. Ons was inmiddels wel duidelijk dat we op bussen stonden te wachten. Wanneer die zouden komen, wist niemand. Het NS-personeel dat nog aanwezig was op het station gedroeg zich alsof het de eerste keer was dat de laatste trein naar Venlo niet kon rijden. De berichten over de bussen waren niet al te hoopvol: ‘Ja, zo’n chauffeur ligt waarschijnlijk al in bed en moet dan ergens een bus gaan halen. Succes jongens!’

‘Lotgenoten’, dacht ik weer. Ook wij zaten inmiddels comfortabel op de lederen bekleding van een Mercedes met blauwe nummerplaat. We hadden ons die avond immers voorgenomen om op dezelfde manier als de conducteurs naar huis te gaan. Niet expliciet natuurlijk, maar zo gaan die dingen nu eenmaal als je een treinkaartje koopt. En nadat we ruim drie kwartier voor niks op een bus hadden gewacht, besloten we dat voornemen alsnog in de praktijk te brengen. Uit solidariteit. De taxichauffeur bleek meer verstand te hebben van de alledaagse gang van zaken bij de NS dan het personeel zelf. ‘Gouden business voor jullie, die spoorwegen’, constateerde ik. ‘Twee weken geleden gebeurde dit drie keer in een week’, wist de taxichauffeur.

‘De meeste buschauffeurs zetten hun telefoon na tien uur netjes uit’, dacht ik. De reizigers die niet voor een taxi kozen en achterbleven, zullen rond drie uur waarschijnlijk op zoek te zijn gegaan naar wat dekens. Ze hebben mogen proeven aan het nachtleven op het station. Het is te hopen dat ze daarvoor van de NS geen extra rekening thuisgestuurd krijgen. Voor de bijzondere ervaring. Dodelijk vermoeid hebben ze zich tegen zonsopgang weer opgericht. En toen de buschauffeur van dienst zijn telefoon eindelijk weer aanzette, reed de eerste trein naar Venlo net het station binnen.